Alleen de reis, die begint op 14 augustus (2026), spreekt al tot de verbeelding. Dat is grotendeels een eigen keuze, want sinds tien jaar reis ik binnen Europa over land, per trein en bus. De CO2-uitstoot is lager, en het gaat langzamer, waardoor ik al meer aard in het landschap. Mijn modus verandert, van een snel, hectisch leven in de stad naar het trage ritme van wandelen in de natuur.
De treinreis begint in Amsterdam, en gaat via Hamburg en Malmö naar Stockholm. Daar begint het avontuur te kriebelen: eerst met de nachttrein naar Boden, en vandaar verder met de bus, de poolcirkel binnen, naar het sfeerloze stadje Narvik: trekpleister voor toeristen die het noorderlicht willen aanschouwen. Narvik is ook een overstaphaven naar de Lofoten: ik zit dan nog zeven uur in de bus, over wegen die slingeren door hoog optorende bergen, soms getooid met een sneeuwveld en vaak geflankeerd door berkenbossen, en langs baaien en fjorden, waar schattige rode houten huisjes staan, die zich regelmatig clusteren tot pittoreske vissersdorpjes.
Ik stap aan het eind van de middag uit en het voelt als het eind van de wereld: Moskenes, een van de laatste en meest zuid-westelijk gelegen dorpen van de Lofoten. Er staan een paar huizen, een witte houten kerk, er is een camping, er meert een veerboot van het vasteland aan. Achter het gehucht, zo heb ik van de papieren kaart afgeleid, ontrolt zich een woeste afwisseling van land en water: ruige, steile bergmassieven en bochtige, kronkelige bergmeren en fjorden. En, aan de andere kant van het eiland, baaien met zandstranden. Op Google Maps lijkt Moskenesøya, een van de Lofoten-eilanden, met al die meren, fjorden en baaien, wel een gatenkaas. Dit kan niet anders dan een magische plaats zijn, denk ik bij mezelf.
Op de eerste wandeling van mijn Lofotentocht wordt dat direct bevestigd. Ik loop langs het veelvormige bergmeer Ågvatnet, dat alleen door het allerlaatste Lofotendorp Å wordt gescheiden van de zee, naar de 500 meter hoge pas Ågskaret. Daar strekt zich aan de andere kant een ander bergmeer uit: het Stokkvikvagnet, dat bijna direct doorloopt in de zee. Zelden zag ik aan beide kanten van een eiland tegelijkertijd de zee, maar in combinatie met een bergmeer, nee dat sowieso nog nooit. Aan weerzijden van beide valleien torenen berghellingen op, die van beneden af van groen steeds grijzer en rotsiger worden. Wat een geweldig panorama!
Het blijkt een klein voorproefje voor wat me de komende dagen te wachten staat. De Lofoten lijken op Moskenesøya, waar ook het nationale park Lofotodden ligt, als een groot granieten massief uit de aarde omhoog te zijn komen beuken: de meeste bergen bestaan nagenoeg uit een, vaak steile en grillige rots. De etappe naar het Krokvatnetmeer is grandioos: ik passeer het ene na het andere bergmeer, met ongeveer elke honderd meter stijging een volgende. Ik vermoed dat de bergen op het eiland Moskenesøya dermate diep de aarde in gaan en dermate steile wanden hebben, dat ze allemaal kommen vormen voor water. Ijs en sneeuw hebben het landschap in verschillende ijstijden bijgeschaafd: de meren worden getooid door grijs-zwarte, vaak gladde wanden. Gletsjers hebben hier eeuwenlang overheen bewogen en zo gesteente gevormd waar je zo van af zou kunnen glijden. Dat de pieken nauwelijks zijn afgevlakt komt, zo denken geologen, doordat zij meestal boven het ijs uitstaken.
De volgende dag zie ik zo’n wand van heel dichtbij. Het is een onderdeel van de Hermannsdalstinden, met 1029 meter de hoogste top van de Lofoten. De berg wordt geflankeerd door meerdere wanden, maar deze is bijzonder vanwege de hoogte (honderden meters), steilheid (op het oog loodrecht) en het ovaalvormige bergmeer Litlforsvatnet dat eronder ligt (vrij letterlijk een kom). De klim naar de top beslaat vanaf mijn kamp aan het Krokvatnet 750 hoogtemeters, maar vergt moeite. Het is meer klimmen en klauteren dan wandelen, over gladde en soms glibberige rotsen. Een langer stuk rots doet me bijna terugkeren: lukt me niet om voldoende houvast te vinden met mijn handen. Ik wankel even en zet dan een stap terug. Vanaf iets meer afstand meen ik een andere route te zien over het groene, eveneens steile deel van wand. Hier heb ik genoeg houvast en al klauterend keer ik weer terug op de hoofdroute.
Vanaf daar gaat het over de graat naar een rotsige top: alsof tijdens de vorming van de Lofoten er grote rotsblokken uit het binnenste van de aarde op zijn gespuwd. Nog even klauteren, hier en daar langs een kleine afgrond, en dan volgt een weergaloos uitzicht: ik zie in alle windrichtingen hoe de oceaan zich eindeloos uitstrekt, met op tientallen kilometers de eilanden Vaerøya en Rost, en op zo’n honderd kilomter het vasteland, met zelfs sneeuwvelden en gletsjers. Dichterbij ligt een wirwar van steile wanden en hellingen, groen en grijs, en meren en fjorden, glinsterend blauw onder een vriendelijke zon.
De paden in Lofoten bieden eigenlijk voortdurend avontuur. Ze verdwijnen op rotsachtige hellingen regelmatig uit het zicht: je ziet door de rots geen pad meer en loopt uit de route. De markering, mits überhaupt aanwezig, is onregelmatig; dan weer een rode stip, dan weer een steenman, dan weer niets. Bovenal doen de paden aanspraak op een krachtig stel benen en de nodige techniek: vrijwel steeds steil en grillig, en ondersteuning in de vorm van touwen en kettingen is gering. Het vochtige klimaat in combinatie met eerdere wandelaars tovert begroeide delen om tot modderpoelen, waar je vaak schoendiep in wegzakt. Over grote rotsblokken is het soms glibberen en glijden - naast klauteren en klimmen.
Het zwaarste stuk ligt voor mij op de afdaling vanaf het Krokvatnet naar de ferry bij Vindstad: ik kan me niet heugen in de vijf kilometer - inclusief het ‘vlakke’ stuk over de berghelling langs het fjord - ook maar een regelmatige, stabiele stap te hebben gezet. Gladde rotsblokken, hoge, griezelige afstapjes, boomwortels, overhangende takken, diepe modderpoelen, verdwijnende paden: alles wat de Lofoten zo uitdagend maakt, komt hier samen.
Over eilanden zegt men vaak ‘vier seizoenen in een dag’, en op de Lofoten is dat in mijn geval ‘zeven weertypen in een week’. Het weer per dag is meestal vrij stabiel, maar wel per dag anders. Ik arriveer in Moskenes aan het einde van een dagenlange depressie, met veel regen; laaghangende regenwolken en regenbuien verraden dit. De dag erop klaart het op, maar loop ik aan het eind van de dag in de regen; bij het Krokvatnet zie ik voor het eerst de zon in een blauwe lucht, maar de avond erop, na de beklimming van Hermansdallstinden, vallen er weer druppels. Op de top, eerder op de dag, is het bijna winters koud: ik daal af met sneeuwhandschoenen aan. De tocht van Krokvatnet naar het strand van Horseid loop ik in droog en soms zonnig weer. Maar einde dag beginnen de wolken te dalen, waardoor ik vanuit mijn tentje uitkijk over grijs-zwarte hellingen met een licht-grijs wolkendek. Horseid is fenomenaal en de mooiste kampeerplaats deze week: het strand loopt achter de baai ver landinwaarts, waar duinen met groene grastoppen de overgang vormen naar morenenheuvels - gevormd door de gletsjer die hier ooit lag. Ik krijg er tranen van in mijn ogen, zo mooi.
De volgende ochtend regent het, zoals verwacht, en ik loop de tocht naar het strand van Kvalvika in een sluier van wolken en mist. Ik begrijp direct waarom Noren zeggen dat de herfst in augustus begint. Het voelt herfstig, helemaal in combinatie met de vergelende en vallende berkenbladeren. De weersvoorspelling voor de dag erop belooft opklaringen. Maar in werkelijkheid verandert het weer nu toch eens met de minuut. Lijkt in de vroege ochtend de zon door te breken, als ik de beklimming aanvang van Ryten, een populair uitzichtspunt over Kvalvika, doemen vanaf zee wolken op. Ze bedekken al gauw het grootste deel van de zachte, glooiende helling. Ik overweeg om terug te keren, maar de gedachte ‘het weer kan elk moment veranderen’, stimuleert me door te lopen. Op de top wil de mist aanvankelijk van geen wijken weten. Dan zie ik in de verte, op zee, vlokjes blauw. En ja, een kwartier later breekt de lucht en ontvouwt Kvalvika zich beneden ons. Twee zandstranden, gescheiden door een rotsige helling, en weer geflankeerd door klifachtige bergen - waaronder Ryten. Een paradijselijk beeld, maar het woestere Horseid is me dierbaarder.
Als ik afdaal richting het Selfjord, valt me op dat de bergen hier afgevlakter, ronder en glooiender zijn. Gisteren, toen ik langs de oever van het Selfjord liep, was dit niet anders. Een beetje van het spektakel van de Lofoten verdwijnt. Tegelijkertijd groeit de veelzijdigheid in landschappen, en voel ik nadrukkelijk hoe bijzonder de gezichten van de voorgaande dagen zijn geweest. Moskenesøya is uniek vanwege de combinatie van steile, ruige, piekige bergen met brede, weidse dalen met bergmeren en fjorden en vaak, verderop, de zee. Het landschap verandert, net als het weer, haast met de minuut. De vele doorkijkjes, naar meren, fjorden, de open zee, en de afwisseling, maken Moskenesøya letterlijk panoramisch. De tranen bij Horseid - die wellen bijna elke dag weleens op.
Trekken op MoskenesøyaMijn trekking op Moskenesøya is onderdeel van de Lofoten Crossing, een ongemarkeerde lange afstandsroute die alle eilanden doorkruist. De etappes laten zich vrij flexibel indelen, maar let op de boottijden van de ferry tussen Vindstad en Kjerkfjord. Mijn schema was:
Etappe 1: heen en weer van Moskenes naar pas Ågskaret
Etappe 2: van Moskenes naar Krokvatnetmeer
Etappe 3: heen en weer van Krokvatnetmeer naar top Hermannsdalstinden
Etappe 4: van Krokvatnetmeer naar Horseid (met ferry tussen Vindstad en Kjerkfjord)
Etappe 5: van Horseid naar Kvalvika - deel Vestervika
Etappe 6: heen en weer van Kvalvika naar top Ryten
Etappe 7: van Kvalvika naar Fredvang
Verder lezen over de geologie van de Lofoten? The geology of Lofoten - Lofotodden Nasjonalpark





Geen opmerkingen:
Een reactie posten